| Guéï: herziening grond-
en kieswet gevolgd door verkiezingen
Het door Guéï c.s. in 1999 opgerichte Comité
National du Salut Public (CNSP) was een overgangsregime met als doel
de transitie naar een democratisch gekozen regering te (bege)leiden en
orde op zaken te stellen. Het CNSP vormde enkele
transitiekabinetten, waarin aanvankelijk - naast juntaleden – civiele
ministers waren opgenomen van alle partijen die deel uitmaakten van het
door de junta ontbonden parlement. Een herziening van de grond- en kieswet
werd door een volksraadpleging in juli 2000 goedgekeurd. Hierin werden
o.a. de vereisten voor de verkiesbaarheid tot President verder
aangescherpt.
Onder verantwoordelijkheid van de
militaire machthebbers werd een reeks verkiezingen georganiseerd. Ouattara
werd door een besluit van het Cour Constitutionnelle van deelname
aan de verkiezingen uitgesloten, evenals alle kandidaten van de PDCI-RDA.
Hierop boycotte Ouattara’s partij, de RDR, de verkiezingen. De
presidentiële verkiezingen vonden op 22 oktober 2000 in een gespannen
sfeer plaats. De participatie was laag, er mochten slechts 4 kandidaten
meedoen. De verkiezingsuitkomst wees uit dat Laurent Gbagbo, voorzitter
van het FPI, de nieuwe president van Ivoorkust zou worden (zij het met
minder dan 20 procent van de stemmen van het totaal aantal
kiesgerechtigden). Bij de parlementsverkiezingen in november behaalde de
FPI het relatief grootste aantal parlementszetels (ook nu op basis van
niet meer dan rond 20 procent van het totaal aantal kiesgerechtigden).
Beide verkiezingen gingen gepaard met rellen waarbij meer dan 200 mensen
het leven lieten. Geweld was veelal gericht tegen noorderlingen en RDR
aanhangers. Velen werden willekeurig gearresteerd en vastgehouden.
Forum Nationale Verzoening lijkt
inleiding politieke reconciliatie
De regering Gbagbo stelde zich als
voornaamste taak de refondation nationale (d.w.z. wederopbouw van
Ivoorkust echter op andere grondvesten dan die van wijlen Houphouët-Boigny)
en verder het bewerkstelligen van nationale verzoening tussen de
verschillende bevolkingsgroepen, herstel van de stabiliteit door
eerbiediging van de mensenrechten en de sanering van de economie.
In augustus 2002 werd een Regering van
Nationale Eenheid gevormd waarin alle vier de belangrijke partijen
deelnamen: de FPI van Gbagbo, de PDCI-RDA (partij van de oud
Presidenten Houphouet-Boigny en Bédié), de UPDCI (Union pour la Démocratie
et la paix en Côte D’Ivoire) van voormalig militair leider Robert
Guéï en de RDR, geleid door Ouattara. Onmiddellijk hierna verliet het
UPDCI weer de regering uit onvrede met het aantal gekregen
ministersposten.
Muiterij legereenheden stort het land
onverwacht in burgeroorlog
Op 19 september 2002 leidde een muiterij
van legereenheden in Abidjan, Bouaké en het noordelijke Korhogo tot
grootschalige gewelddadigheden. Generaal Guéï en zijn vrouw en de
minister van Binnenlandse Zaken Boga Doudou werden op deze dag vermoord.
In Abidjan werd de rebellie neergeslagen, maar in het noorden breidde de
rebellie zich zo snel uit dat de opstandelingen, de latere Mouvement
Patriotique de Côte d’Ivoire (MPCI) al gauw de noordelijke helft
van Ivoorkust controleerden. Onsuccesvolle militaire acties van zowel de
MPCI als van overheidstroepen leidden tot een staakt-het-vuren op 19
oktober 2002.
Het akkoord van Linas-Marcoussis
Enkele weken vruchteloos onderhandelen
onder leiding van ECOWAS leken door de partijen gebruikt te worden als een
rustpauze voor hernieuwde vijandigheden. Zich bewust van het doodlopende
onderhandelingstraject nodigde Frankrijk alle partijen uit voor
vredesonderhandelingen in Parijs. Dit resulteerde op 24 januari 2003 in
het akkoord van Linas-Marcoussis. Het akkoord omvatte de benoeming van een
nieuwe onafhankelijke premier, Seydou Elimane Diarra en de overdracht van
een groot gedeelte van Gbagbo’s presidentiele bevoegdheden aan de nieuwe
premier; de vorming van een Regering van Nationale Verzoening tot de
verkiezingen van oktober 2005, met ministersposten voor alle partijen
inclusief de rebellen groepen MPCI (7 posten), MPIGO (1 post) en MJP (1
post); ontwapening van de rebellen en hervorming van het leger; amnestie
voor de rebellen; en instelling van een internationaal “Comité de Suivi”
voor toezicht op de uitvoering van het Linas-Marcoussis akkoord. Ook werd
in Parijs afgesproken dat de nieuwe regering maatregelen zou nemen op het
gebied van de nationaliteitswetgeving en wetgeving inzake grondbezit, de
positie van buitenlanders, versterking van het kiessysteem, de
onafhankelijke rol van de media en verbetering van de mensenrechten.
Implementatie van het akkoord
verloopt moeizaam
De vertegenwoordigers van de partijen
MPCI, MPIGO en de MJP namen in januari 2003 weer zitting in de regering.
De verhouding tussen het FPI (Front Populaire Ivorien) en de PDCI (Parti
Démocratique de Côte d’Ivoire) – de belangrijkste partijen
binnen de Regering van Nationale Verzoening - is gaandeweg verslechterd.
Directe aanleiding was een hoog oplopende discussie over de benoeming van
hoge ambtenaren en directeuren van (semi-) overheidsinstellingen. De
strijd spitste zich toe op (lucratieve) posities bij het havenbedrijf van
Abidjan.
In maart 2003 werd Seydou Diarra beëdigd
als minister-president en droeg president Gbagbo voor de duur van zes
maanden een aantal bevoegdheden aan hem over. De drie rebellengroepen MPCI,
MPIGO en MJP hebben zich in februari 2003 verenigd onder de naam Forces
nouvelles.
Op 4 juli 2003 verklaarden de strijdende
partijen (het regeringsleger en de Forces
nouvelles)
een einde aan de oorlog. Alle partijen bevestigden in deze verklaring hun
erkenning van president Gbagbo. Op politiek gebied werd er tot september
2003 enige vooruitgang geboekt bij de implementatie van het akkoord van
Linas-Marcoussis. In september 2003 stapten vertegenwoordigers van de Forces
nouvelles uit de regering. Kritiekpunt was onder andere de indruk dat
president Gbagbo de uitvoering van de Linas-Marcoussis bepalingen aan het
traineren was. Hoewel de Forces nouvelles in januari 2004, na zware
internationale druk op zowel de voormalige rebellen als op president
Gbagbo, weer aan de regering deelnamen, stapte begin maart 2004 de PDCI
uit de regering. De directe aanleiding is het conflict over het bestuur
van de haven van Abidjan.
Toen een oppositiedemonstratie op 25
maart 2004 ("Zwarte Donderdag") werd verhinderd en door de
ordediensten een bloedbad werd aangericht, schortten alle
oppositiepartijen hun deelname aan de Regering van Nationale Verzoening
op. Het dodental van de gebeurtenissen is onduidelijk: volgens de politie
zijn er 37 doden gevallen, en volgens de oppositiepartijen zijn er tussen
de drie- en vijfhonderd dodelijke slachtoffers te betreuren. Nog in de
avond van 25 maart verklaarden RDR en de Forces nouvelles dat zij,
in navolging van de PDCI, hun regeringsdeelname opschortten.
Nadat de president in mei drie ministers
op staande voet ontsloeg, verhardde de situatie. Zowel premier Diarra als
de oppositie-partijen weigerden het ontslag te erkennen. De relatie tussen
de oppositie en de FPI, de partij van Gbagbo, is sindsdien gespannen en de
dialoog beperkt, waarbij de Forces nouvelles weigeren te
onderhandelen met Gbagbo. De politieke situatie werd nog complexer nadat
er onenigheid ontstond over het leiderschap binnen de Forces nouvelles,
wat resulteerde in onderlinge gevechten. Deze impasse dwong de
internationale gemeenschap tot actie om het vredesproces los te trekken.
Het akkoord van Accra III
Op 30 juli 2004 begon een tweedaagse Top
in Accra, Ghana, om het haperende vredesproces op basis van het akkoord
van Marcoussis nieuw leven in te blazen. Bij deze top waren de Secretaris
Generaal van de VN, Kofi Annan, en twaalf Afrikaanse staatshoofden
aanwezig. Het resultaat van de top -genaamd Accra III- heeft geleid tot
een nieuw akkoord tussen de Ivoriaanse regering en de Forces
nouvelles. Zo is afgesproken dat de regering van Nationale Verzoening
binnen een week een kabinetsvergadering zou houden; de drie oppositionele
ministers, die in maart 2004 waren ontslagen, dienden terug te keren in
hun oude positie; een zodanige aanpassing van artikel 35 uit de grondwet
dat alle potentiële kandidaten t.z.t. zouden kunnen deelnemen aan de
presidentsverkiezingen in oktober 2005; en een overdracht van bevoegdheden
aan de premier. Deze maatregelen dienden binnen een maand te worden geïmplementeerd.
In ruil hiervoor zullen vanaf 15 oktober de rebellen zich gaan ontwapenen,
mits de pro-regerings milities hetzelfde doen. Het akkoord roept verder op
tot het respecteren van de mensenrechten.
Na het Accra III-akkoord zijn de drie
ontslagen ministers op 5 augustus 2004 weer in hun ambt teruggekeerd, een
kabinetsvergadering, de eerste sinds januari 2004, volgde op 9 augustus.
Internationale vredesmacht
Een missie van 1400 ECOWAS militairen
(operatie MICECI; Mission de CEDEAO en Côte d'Ivoire) en 4000
Franse militairen (operatie Licorne) zien toe op naleving van het staakt
het vuren en gaan assisteren bij de ontwapening van de strijdkrachten en
rebellen. In het westen werken ECOWAS, de Fransen en het regeringsleger
samen in het handhaven van een wapenvrije Zone of Confidence. De
MICECI/Licorne operatie zal ter plaatste blijven tot aan de
verkiezingen van 2005.
Op 13 mei 2003 nam de Veiligheidsraad
van de Verenigde Naties resolutie 1479 (2003) aan, waarin onder andere
werd voorzien in de instelling van de Mission des Nation Unies en Côte
d'Ivoire (MINUCI). MINUCI diende ter assistentie aan de troepen van
Frankrijk en ECOWAS, met name voor het tijdschema van ontwapening,
demobilisatie en reïntegratie. Het mandaat liep af in februari 2004. Op
27 februari 2004 nam de VR unaniem resolutie 1528 aan ter oprichting van
een volwaardige VN-vredesoperatie in Ivoorkust, de United Nations
Operation in Côte d’Ivoire (ONUCI). Op 4 april 2004 werd de
VN-vredesmacht ONUCI in Abidjan geïnstalleerd. ONUCI bestaat uit 6.240
militairen, en heeft onder andere als taken het bewaken van het
staakt-het-vuren, uitvoering en assistentie bij het DDR-programma en
ondersteuning op het terrein van de mensenrechten. De Franse
Licorne-troepen vallen nadrukkelijk niet onder de VN-vredesmacht.
De sociale situatie van Ivoorkust was
lange tijd minder ongunstig dan in de meeste andere West-Afrikaanse
landen, maar is met name sinds de decembercoup van 1999 verslechterd. De
sociale situatie kreeg een negatieve wending door de structurele
aanpassing die in de jaren '80 werd doorgevoerd. De gevolgen daarvan
troffen vooral de stedelijke bevolking die voor haar inkomen afhankelijk
was van de publieke sector. Onderwijs kwam eveneens onder druk te staan.
Daarbij was de rol van studenten groot, toen zij zich verzetten tegen de
wijziging van de regel dat zij automatisch na het afstuderen binnen de
publieke sector een betrekking kregen. Naast de problemen in het hoger
onderwijs is het basisonderwijs qua inhoud en omvang niet op de snel
groeiende bevolking toegesneden. Ook in andere segmenten van de publieke
sector neemt de onrust toe. Er is een voortdurende dreiging van stakingen.
De omvang van (onderdrukte) maatschappelijke eisen tot verbetering van
inkomens en andere sociale omstandigheden neemt toe.
Sinds de staatsgreep van 19 september
2002 functioneren de sociale diensten in het noorden en het westen van
Ivoorkust slechts gedeeltelijk vanwege een massale exodus van ambtenaren.
De humanitaire situatie is inmiddels verbeterd, maar er bestaat nog steeds
onvoldoende toegang tot medische zorg, veilig drinkwater en onderwijs.
Inmiddels zijn er zo'n 500.000 ontheemden in Ivoorkust en hebben zo'n
500.000 migranten uit Burkina Faso, Mali en Guinée het land verlaten om
aan vervolging te ontkomen.
|