|
|
|
| Geografie | De bevolking | De overheid | Economie |
|
Achtergrond
en geschiedenis
|
Congo werd oorspronkelijk tot de 15de eeuw vooral bewoond door pygmeeën. Van de 15de tot de 19de eeuw werden veel Congolezen als slaven uitgevoerd. In de 19de eeuw bereikte de Franse ontdekkingsreiziger Graaf Pierre Savorgnon de Brazza Ogooú een buitenpost te Ntamo, dat hij Brazzaville noemde. Pierre Savorgnon de Brazza Ogooú sloot in 1880 een verdrag met een plaatselijk stamhoofd waarna het gebied onder Franse "bescherming" kwam. In 1885 en 1887 werden de grenzen van de nieuwe Franse kolonie getrokken. In 1891 werd de Franse kolonie Congo officieel opgericht. In 1910
werd Congo-Brazzaville onderdeel van Frans Equatoriaal Afrika. In 1946
werd het een overzees gebied en in 1958
een autonome republiek binnen de Franse Gemeenschap met de nationalist een vroegere priester, als premier.
In 1960
verkreeg Congo volledige onafhankelijkheid en werd de Republiek Congo
uitgeroepen. Youlou werd president en vormde een coalitieregering
bestaande uit drie partijen. De geschiedenis van Congo-Brazzaville sinds de
onafhankelijkheid in 1960 geeft een goed inzicht in de oorzaken van de
problemen in de jaren negentig. Er is nauwelijks een periode geweest
waarin de politieke macht niet afhankelijk was van de militaire macht.
In Congo-Brazzaville was voortdurend sprake van een strijd om de
schaarse middelen, versterkt door de voortdurende druk van het
Internationaal Monetair Fonds te komen tot budgettaire soberheid en
bezuinigingen. De eerste president, Fulbert Youlou, leidde het land
tot 1963. In augustus van dat jaar riepen de vakbonden, uit onvrede
met de pro-westerse en op de voormalige kolonisator gerichte politiek
van Youlou, een algemene staking uit en dwongen Youlou tot aftreden.
Radicale elementen grepen de macht en een voorlopige regering werd
gevormd met Alphonse Massemba-Débat als premier. In december 1963
werd bij referendum een nieuwe grondwet goedgekeurd en werden
Massemba-Débat en de technocraat Pascal Lissouba tot president en
premier benoemd. In 1964 werd de marxistisch-leninistische Mouvement
National de la Révolution (MNR) opgericht en werd Congo-Brazzaville
een eenpartijstaat. Alphonse Massemba-Débat volgde een anti-westers
getinte politiek. Er volgde een periode van voortdurende politieke
strijd tussen het leger en de MNR. Ook de vakbonden behielden hun
radicale invloed. In september 1968 werd Massemba-Débat afgezet bij
een militaire coup onder leiding van de linkse legerofficier Marien
Ngouabi. De MNR werd omgedoopt tot de marxistisch-leninistische Parti
Congolais du Travail (PCT). De twee volgende decennia zou deze partij
het politieke leven in het land domineren. De Fransen probeerden enige
invloed in het land te behouden en steunden Ngouabi tot het moment -
midden jaren zeventig - waarop hij niet langer bereid was de olierijke
enclave Cabinda uit Angolese handen te houden. Als gevolg van een machtsstrijd binnen de politieke
elite werd Ngouabi in 1977 vermoord tijdens een staatsgreep door
aanhangers van Massemba-Débat en opgevolgd door legerleider Jacques
Joachim Yhombi-Opango. Deze slaagde erin de controle over de partij
bij het leger te leggen. Toen hij evenwel in 1979 zijn hand
overspeelde en de partij rechtstreeks bruskeerde door het
partijcongres te annuleren gingen de machtige vakbonden de straat op.
Yhombi-Opango stond zijn macht en bevoegdheden af aan een voorlopig
door de PCT benoemd comité. In maart 1979 werd de voorzitter van dit voorlopig
comité, Denis Sassou-Nguesso, benoemd tot president van de republiek
en voorzitter van het centrale comité van de PCT. Voortaan had de
partij het voor het zeggen en met het vertrek van Yhombi verloren ook
de Fransen gaandeweg meer invloed. De volgende twaalf jaren streefde
Sassou-Nguesso een conventionele marxistische eenpartijstaat na.
Opvallend was evenwel dat uit pragmatische overwegingen de banden met
Frankrijk en de westerse wereld niet werden verbroken. Sassou-Nguesso
moedigde investeerders uit het westen aan en nodigde onder meer
Amerikaanse docenten uit managementcursussen te geven in Brazzaville.
Onvrede over het onvermogen van de regering de verslechterende
economie nieuwe impulsen te geven, leidde tot een toename van de
oppositie tegen de regering. Aan het eind van de jaren tachtig
ontstond dan ook een sterke druk tot democratisering. Van maart tot juni 1991 werd een nationale
conferentie over politieke hervorming gehouden. Deze resulteerde met
steun van het leger in een meerpartijendemocratie en in juni 1991 was
Sassou-Nguesso regeringsleider af en diende hij zijn bevoegdheden af
te staan aan een nieuw benoemde premier, André Milongo, een voormalig
functionaris van de Wereldbank. Op basis van een in maart 1992
gehouden referendum werd een nieuwe grondwet afgekondigd en werden
verkiezingen voorbereid. Deze verkiezingen werden gedomineerd door de Union
Panafricaine pour la Démocratie Social (UPADS), geleid door de
vroegere premier en voormalig directeur Afrika van UNESCO Pascal
Lissouba, die zijn basis en etnische oorsprong had in de provincies
Niari, Bouenza en Lekoumou (collectief bekend als "Nibolek").
Een andere belangrijke stroming was de Mouvement Congolais pour la
Démocratie et le Développement Intégral (MCDDI) van de vroegere
anticommunist Bernard Kolélas, die zijn - etnische - basis had in de
regio Pool bij Brazzaville. In het noorden van het land werd het
politieke toneel gedomineerd door de Parti Congolais du Travail
(PCT) van de vroegere marxistische dictator en noorderling Denis
Sassou-Nguesso. In juni 1992 vonden vervolgens de eerste
verkiezingen plaats waarbij meerdere partijen betrokken waren op zowel
lokaal als parlementair niveau. In de tweede ronde van de
presidentsverkiezingen in augustus 1992 versloeg Lissouba (UPADS) zijn
rivalen Kolélas (MCDDI) en Sassou-Nguesso (PCT). Lissouba won de
verkiezingen evenwel zonder een parlementaire meerderheid te behalen,
zodat in mei 1993 nieuwe verkiezingen moesten worden gehouden. Deze
verkiezingen gingen gepaard met grote onrust en gevechten tussen de
milities van de verschillende kandidaten. De aanwezigheid van de milities zorgde er voor dat de politieke
cultuur van Congo-Brazzaville werd gemilitariseerd en de ontstane
onrust nam in 1993 de facto de vorm aan van een burgeroorlog. Lissouba
won 62 van de 125 zetels en de noodzakelijke tweede ronde leverde
Lissouba 69 zetels op. De uitslag van de verkiezingen werd evenwel
betwist door de oppositie. Een lijmpoging door Frankrijk en Gabon had
succes en na een nieuwe tweede verkiezingsronde in oktober 1993 –
het Hooggerechtshof had de oorspronkelijk gehouden tweede ronde
ongeldig verklaard - kon een regering gevormd worden onder Lissouba.
Als teken van verzoening werd Kolélas benoemd tot burgemeester van
Brazzaville. Rond de jaarwisseling 1993/1994 was er van een
burgeroorlog geen sprake meer. In een regering van nationale
verzoening werden in januari 1995 ook leden van de oppositie
opgenomen. Sporadische schermutselingen tussen de aan de verschillende
leiders gelieerde milities bleven evenwel voorkomen tot in 1995. Tussen oktober 1993 en juni 1997 was in Congo in
feite sprake van een geleidelijke overgang naar een democratisch
regeringsbestel. Hieraan kwam een einde in juni 1997 toen de situatie
in het vooruitzicht van presidentsverkiezingen opnieuw ontaardde in
een burgeroorlog. De strijd ging voornamelijk tussen de democratisch
gekozen president Lissouba, een zuiderling, en de noorderling
Sassou-Nguesso. Verschillende partijen raakten betrokken bij het
conflict: Angolese regeringstroepen, verbannen soldaten uit Rwanda, de
Democratische Republiek Congo en de Centraal-Afrikaanse Republiek,
internationale huurlingen, en de milities van Lissouba en
Sassou-Nguesso. De totale oorlog die werd uitgevochten in de straten
van de hoofdstad had dramatische gevolgen. De burgeroorlog kostte zo'n
10.000 mensen het leven. De meerderheid van de bewoners van
Brazzaville ontvluchtte de stad. Eind 1997 verbleven grote aantallen
vluchtelingen uit Congo-Brazzaville in de Democratische Republiek
Congo. Ongeveer 250.000 mensen waren in eigen land op de vlucht. Zware
artilleriegevechten veranderden de stad in een puinhoop. In meer detail kunnen de gebeurtenissen vanaf juni
1997 als volgt worden beschreven. Het geweld laaide weer op toen de
voor juli voorziene presidentsverkiezingen naderden. Op 5 juni 1997
braken ernstige schermutselingen uit toen regeringstroepen het huis
van Sassou-Nguesso in Brazzaville omsingelden, volgens de regering
tijdens een politieactie om verdachte criminelen te arresteren. In
werkelijkheid trachtte president Lissouba op een nogal hardhandige
manier de Cobra's - de militie loyaal aan Sassou-Nguesso - te
neutraliseren. Dit leidde tot totale oorlog in de hoofdstad en tot
uitstel van de in juli en augustus te houden presidentsverkiezingen.
Bemiddelingspogingen van Kolélas en de Gabonese president Omar Bongo
- een oude vriend van Lissouba en tevens schoonvader van
Sassou-Nguesso - leverden niets op. De Fransen steunden de poging van
Bongo en daar voelde de meer pro-Amerikaanse Lissouba niets voor. De
gevechten namen in hevigheid toe en concentreerden zich rond de
luchthaven als belangrijke strategische plaats. Toch werd onder
leiding van de Gabonese president Bongo en de Centraal-Afrikaanse
Republiek, Mali en Tsjaad nog in juli 1997 een staakt-het-vuren
overeengekomen. Dit hield niet lang stand maar tot september was er
hoop dat de voortgaande besprekingen in Libreville tot iets zouden
leiden. Op 9 september 1997 echter werd Kolélas, burgemeester van
Brazzaville en voorzitter van de nationale commissie van bemiddeling,
door Lissouba tot premier benoemd. Sassou-Nguesso beschouwde dit als
een regelrechte oorlogsverklaring. Ook de Democratische Republiek
Congo en Angola gingen zich met de strijd bemoeien. De Angolese
MPLA-troepen assisteerden de troepen van Sassou-Nguesso in Brazzaville
en vanuit het zuiden bezetten zij de havenstad Pointe-Noire. Dankzij
de inzet van zijn Cobra's en met name de steun van Angola was
Sassou-Nguesso op 15 oktober 1997 heer en meester over de situatie in
zowel Brazzaville als in Pointe-Noire en dit betekende het einde van
de regering Lissouba. Op 25 oktober 1997 werd Sassou-Nguesso tot
staatshoofd beëdigd. Op 3 november benoemde hij een uit 33 leden
bestaande overgangsregering van nationale eenheid, voornamelijk
gerekruteerd uit bondgenoten en leden van zijn Parti Congolais du
Travail (PCT). De inbreng uit het voormalige regeringskamp was
marginaal. Een Nationaal Forum voor Verzoening diende een termijn voor
presidentsverkiezingen vast te stellen. Daarnaast stelde het Nationaal
Forum een uit 75 leden bestaand overgangsparlement Conseil National
de Transition (CNT) in. De leden van dit parlement waren afkomstig
uit partijen, beroepsgroepen, regionale en religieuze groeperingen en
werden zorgvuldig op etnische en politieke voorkeur geselecteerd. De
grondwet werd opgeschort (hiervan is momenteel nog steeds sprake) en
de functie van premier afgeschaft. Met ingang van 21 november 1997 werden alle milities
formeel opgeheven. Een deel van de ontbonden milities van Lissouba en
Kolélas trok zich echter terug in het binnenland. Sassou-Nguesso
ondernam enkele halfslachtige pogingen de betrokken strijders te
integreren in het reguliere leger. Er was echter onvoldoende geld en
opvangcapaciteit. Zelfs de integratie van Sassou-Nguesso's eigen
milities zou een langdurig en onvoltooid proces blijken te zijn. Na de machtsovername door Sassou-Nguesso begon een
voorzichtig proces van herstel. Vele vluchtelingen keerden terug en er
was voedsel- en medische hulp aanwezig. Met name in de zuidelijke
gebieden echter bleef de situatie na de burgeroorlog van 1997
voortdurend kwetsbaar. Sporadisch voorkomende gewelddadige acties van
de verbannen oppositie zorgden onder meer voor ontwrichting van
elektriciteitsvoorzieningen en van de belangrijke treinverbinding
tussen Brazzaville en Pointe-Noire. In Brazzaville liep als gevolg van
het instabiele politieke klimaat het aantal misdaden en overvallen op. Op 15 december 1998 sloeg de vlam in de pan toen het
gerucht de ronde deed dat een aanzienlijk aantal pro-Lissouba
manschappen de zuidwestelijke buitenwijken van Brazzaville - Bakongo
en Makelekele - infiltreerde en president Sassou-Nguesso daarop
besloot zijn eigen milities in te zetten. Deze sloegen vervolgens aan
het plunderen. Op 16 december 1998 verslechterde de situatie toen ook
burgers aan de plunderingen mee gingen doen. Teneinde verdere instroom
van mensen - veelal vluchtelingen uit de onrustige regio Pool - in de
betrokken wijken te voorkomen, werd die dag voor het eerst door het
regeringsleger zware artillerie tegen de milities van Kolélas en
Lissouba ingezet. Toen de situatie na twee dagen nog niet onder
controle was, ging het leger over tot een serieuze artillerieaanval op
de wijken, waarbij de burgerbevolking niet werd ontzien. Op 19
december 1998 besloot Sassou-Nguesso bovendien zijn Garde Présidentiel
in te zetten om de voltallige bevolking uit de wijken te verdrijven en
een klopjacht op al dan niet vermeende rebellen en plunderaars te
beginnen. Hoewel het op 20 december 1998 in de desbetreffende wijken
weer relatief rustig was, bleef de politieke situatie zeer gespannen. Eind januari 1999 kon opnieuw worden gesproken van
een situatie van burgeroorlog. Het zuidwestelijke deel van Brazzaville
was inmiddels geheel ontvolkt. Sassou-Nguesso, opnieuw gesteund door
Angolese troepen, zette de regeringstroepen op grote schaal in tegen
de milities van Kolélas en Lissouba. Daarbij werd zware artillerie
ingezet waarbij onopzettelijk soms ook Kinshasa in de Democratische
Republiek Congo werd getroffen. Dat deze incidenten niet vanuit
Kinshasa werden beantwoord, was te danken aan het niet-aanvalsverdrag
dat eind 1998 tussen Sassou-Nguesso en president Kabila van de
Democratische Republiek Congo was gesloten. Bovendien bevonden zich in
beide hoofdsteden Angolese regeringstroepen. Sassou-Nguesso had grote moeite zich te handhaven.
De strijd had zich in februari 1999 uitgebreid naar het westen, tot de
strategisch belangrijke stad Dolisie (Loubomo), nabij de Angolese
enclave Cabinda en de oliehaven Pointe-Noire. In februari verlieten
echter ook steeds grotere aantallen Angolese troepen Brazzaville en
Pointe-Noire, omdat de strijd in Angola tegen de UNITA de inzet van
meer regeringstroepen aldaar noodzakelijk maakte. Deze ontwikkeling
verzwakte de militaire positie van het Congolese regeringsleger
aanzienlijk. Van de aanvankelijk ordelijke tegenstelling tussen het
leger van Sassou-Nguesso enerzijds en de opstandige milities van Kolélas
en Lissouba anderzijds, was al gauw vrijwel niets meer over. Ook het
regeringsleger viel nu uiteen in verschillende oncontroleerbare
milities. In de hoofdstad was voornamelijk nog slechts sprake van
bendes, die elkaar met artillerie en raketten bestookten. Gedurende de periode maart tot het midden van 1999
gelukte het Sassou-Nguesso evenwel dankzij de steun van de nog
aanwezige Angolese troepen zijn greep op de gebeurtenissen in zekere
mate te herwinnen. Ook was er steun van Rwandese Hutu's, Tsjadiërs en
Congolezen uit de Democratische Republiek Congo. In de hoofdstad Brazzaville en in Pointe-Noire
hadden regeringstroepen en Angolese troepen in de zomer van 1999 de
situatie redelijk (Brazzaville) tot goed (Pointe-Noire) onder
controle. In de hoofdstad leefden de verschillende etnische groepen
weer redelijk vreedzaam samen. De luchthaven van Brazzaville was
stevig in handen van Angolese troepen en in gebruik. In 2002
won de zittende president met 90% van de stemmen de
presidentsverkiezingen en er kwam een nieuwe grondwet die de president
veel macht toekende. Tevens werd er een twee-kamer parlement
ingesteld.
|
|
|
||
| Congo - Brazzaville | Geografie | Oppervlakte: | 342.000 km2 (10 x Nederland) |
| Landsgrenzen: | grenst aan Gabon, Kameroen, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Democratische Republiek Congo (het vroegere Zaïre, ook Congo-Kinshasa), en de enclave Cabinda van Angola. | |
| Klimaat: | Tropisch, vochtig in het noorden, savanne en droog seizoen in het zuiden | Hoogste punt: | De Nabemba (375 km ten noorden van Brazzaville) is met 903 meter de hoogste berg van het land. |
| Natuurlijke hulpbronnen: | Olie, hout, lood, zink, uranium, koper, phosphate, goud, magnesium, natuurlijk gas, waterkracht | |
| Geïrrigeerd land: | 10 km² | |
| Landgebruik: | Landbouwgrond: 0.51% permanent landbouwgrond: 0.13% anders: 99.36% in 2001 | |
| Milieuproblemen: | Drinkwater vervuiling door open riolen, ontbossing. luchtvervuiling in de steden. | |
| Congo - Brazzaville | De bevolking | |
| Bevolkingsaantal: | 3,3 miljoen in 2003; dit getal kan ernstig worden beïnvloed als gevolg van de ziekte aids. | |
| Bevolkingsdichtheid: | 9,6 inwoners per km2 | |
| Leeftijdsopbouw: | 0-14 jaar: 37.3% - 15-64 jaar: 59% - 65 jaar en ouder: 3.7% geschat in 2005 | |
| Bevolkingsgroei: | 3,2% van1975 tot 2001, 2,8% van 2001 tot 2015 geschatte cijfers 2003 | |
| Kindersterfte: | (<1 jaar): 93.9 per 1000 geboorten In vergelijk met NL: 4,37 | |
| Kinderen tot 5 jaar met ondergewicht: | 19% 1995-2001 | |
| Drinkwater: | 51 % van de bevolking heeft toegang tot schoon drinkwater | |
| Levensverwachting: | 49.51 jaar Mede door de enorme sterfte aan de gevolgen van AIDS is de levensverwachting teruggelopen. 50,3 jaar (v) - 46,7 jaar (m) (2001) | |
| Vruchtbaarheidcijfer: | 29,46 per 1000 inwoners in 2003 | |
| Verspreiding van AIDS bij volwassenen: | 7,15% in 2003 | |
| Etnische groepen: | Kongo 48%, Sangha 20%, M'Bochi 12%, Teke 17%, Europeanen en anderen 3% | |
| Religies: | Christendom (50%), animistisch (48%), islam (2%) | |
| Talen: | De officiële voertaal is Frans. Daarnaast worden vele lokale talen waaronder Lingala, Kikongo en Monokutuba gesproken | |
| Alfabetisme: | 75,9% (v) – 88,2% (m) in 2001 | |
| Congo Brazzaville | De overheid | |
| Naam van het land: |
|
|
| Type overheid: | Republiek | |
| Hoofdstad: | Brazzaville | |
| Administratieve indeling: | Het land is administratief verdeeld in de volgende negen regio's (vanaf het noordelijk deel van het land met de cijfers van de klok mee): Likouala, Cuvette, Plateaux, Pool, Bouenza, Kouilou, Niari, Lekoumou en Sangha, en de zelfstandige gemeente Brazzaville. Naast de hoofdstad Brazzaville zijn de belangrijkste steden Pointe-Noire, de economische hoofdstad aan de Atlantische kust, en Loubomo (Dolisie), aan de spoorlijn van Brazzaville naar Pointe-Noire | |
| Onafhankelijk sinds: | 15 augustus 1960 van Frankrijk | |
| Nationale feestdagen: | 15 augustus, onafhankelijkheidsdag (1960) | |
| Grondwet: | De grondwet van 1992 voorzag in een scheiding van de wetgevende macht, uit te oefenen door een direct verkozen Assemblée Nationale en een Senaat, en de uitvoerende macht, uit te oefenen door een direct verkozen president | |
|
Rechtelijk
systeem:
|
De rechterlijke macht is overbelast, onderbetaald en
gevoelig voor corruptie en politieke druk. Tijdens de conflicten in
1997 en 1998-1999 zijn gerechtsgebouwen vernietigd en geplunderd. Het
ministerie van Justitie is bezig met het herstel van gerechtsgebouwen,
waaronder de lokale rechtbank voor de wijken Bacongo en Makelekele in
Brazzaville. In de huidige situatie is een eerlijke rechtsgang niet
gegarandeerd.
Het rechtssysteem bestaat uit traditionele rechtbanken, lokale rechtbanken, gerechtshoven en het hooggerechtshof. De eerste zijn vooral op het platteland actief en behandelen eigendoms- en erfrechtzaken evenals familiezaken, die niet in de grootfamilie opgelost kunnen worden. |
|
| Stemrecht: | Vanaf 18 jaar | |
| Wetgevende macht: |
|
|
|
Binnenlandse
situatie:
|
Congo kent vele politieke partijen. De partij van
Sassou-Nguesso is de Parti Congolais des Travailleurs (PTI),
vroeger de enige partij. De Forces Démocratiques Unies (FDU)
verenigen de regeringsgezinde partijen.
Tot de oppositiepartijen behoren de partijen van de ex-leiders in ballingschap (de Mouvement Congolais pour la Démocratie et le Développement Intégral / MCDDI van Kolélas en de Union Panafricaine pour la Démocratie Sociale / UPADS van Lissouba). Deze functioneren thans onder leiding van personen die bereid zijn met de regering samen te werken. Andere oppositiepartijen zijn de CNR (Conseil National de Résistance), de Mouvement National pour la Libération du Congo Rénové (MNLCR) en de Ralliement pour la Démocratie et le Progrès Social / RDPS. Sinds april 2000 zijn vele nieuwe politieke partijen opgericht, veelal verbonden met de FDU.
|
|
|
Sociale
situatie:
bron: ministrie van buitenlandse zaken
|
Vier etnische groepen vormen in totaal 95% van de
bevolking. Zij spreken duidelijk te onderscheiden talen en zijn
voornamelijk geconcentreerd buiten de grote steden, dan wel in bepaalde
wijken van de grote steden. De grootste groep wordt gevormd door de
Kongo, die de belangrijkste stam in het zuiden van het land zijn en
ongeveer de helft van de bevolking uitmaken. Andere belangrijke stammen
zijn de Teke in het centrale deel van het land en de Mbochi uit het
noorden (elk ongeveer 13% van de bevolking).
Er is leerplicht tot het zestiende jaar en het onderwijs is gratis. Evenveel jongens als meisjes gaan naar de lagere school, maar op de middelbare school en de universiteit neemt het percentage meisjes af. De tienduizenden Pygmeeën, die hoofdzakelijk in het oerwoud in de noordelijke regio's wonen, worden niet gelijk behandeld in de overwegend Bantu gemeenschap. Vooral op het gebied van onderwijs, werkgelegenheid en gezondheid worden zij achtergesteld, hetgeen ook te maken heeft met hun geïsoleerde leefomgeving. Zij worden sociaal als minderwaardig beoordeeld en veel Pygmeeën, waaronder waarschijnlijk ook kinderen, worden door de Bantu's uitgebuit. |
|
|
Vertegenwoordiging
van Nederland:
|
|
|
|
Vertegenwoordiging van België
|
|
|
|
Buitenlands
beleid
|
De internationale gemeenschap heeft erkend dat zij een
belangrijke rol heeft te spelen om de vrede in Congo te bestendigen.
Deze erkenning vormt de grondslag van een ‘Plan voor Congo
2001-2002’ van de Verenigde Naties (VN), dat in november 2000
bekendgemaakt werd en dat de behoeften aangeeft voor de humanitaire
ondersteuning en wederopbouw in het land. Hiernaast wil de VN een rol
spelen in de sociale en economische reïntegratie van ex-strijders.
Angola heeft nog steeds enkele duizenden militairen in Congo gestationneerd. Deze militaire aanwezigheid geldt als de belangrijkste garantie voor het militaire en politieke overwicht van de regering Nguesso, en daarmee van de handhaving van het staakt-het-vuren en de veiligheid in Congo, ondanks de onvrede over de Angolese aanwezigheid bij oppositie en milities. De moord op de president van de DR Congo, Laurent Kabila, op 16 januari 2001 had een verbetering van de relaties tot gevolg. President Sassou-Nguesso wil zich actiever met het vredesproces in de DR Congo bemoeien, mede omdat Congo (Brazzaville) economisch te lijden heeft van het conflict in de DR Congo. |
|
|
Mensenrechten:
|
Congo heeft het grootste deel van de internationale mensenrechtenverdragen getekend maar nog niet geratificeerd, waaronder het Internationale Verdrag over de Politieke en Burgerrechten, het Internationale Verdrag over de Economische, Sociale en Culturele Rechten, het Verdrag over de Rechten van het Kind en het Verdrag tegen Rassendiscriminatie. Het Verdrag tegen Discriminatie van Vrouwen is geratificeerd. Congo heeft recent het Verdrag van Ottawa over de uitbanning van mijnen geratificeerd. Sinds het einde van de vijandelijkheden heeft de regering een Nationale Directie voor de Mensenrechten opgericht, binnen het ministerie van Justitie. Ook is de instelling van een Nationale Commissie voor de Mensenrechten voorzien. Een aantal NGO's speelt een voortrekkersrol op het gebied van de mensenrechten. Zij zijn in staat hun werk te doen zonder inmenging van de overheid, ondanks dat de overheid soms pogingen tot intimidatie doet. De bekendste NGO op dit terrein is de Observatoire Congolais des Droits de l'Homme (OCDH). Deze organisatie publiceert met enige regelmaat overzichten van schendingen van mensenrechten in het land. Internationale mensenrechtenorganisaties als Amnesty International, Human Rights Watch en FIDH (Fédération Internationale des Ligues des Droits de l’Homme) hebben onderzoeken gedaan in Congo. Ook de meer op noodhulp gerichte NGO's leveren een bijdrage aan het toezicht op de naleving van de mensenrechten. In Congo-Brazzaville zijn werkzaam: het Internationale Rode Kruis, CARITAS, Médécins sans Frontières (MSF), OXFAM, Action Contre la Faim, Catholic Relief Services en International Rescue Committee (IRC). Deze NGO's zijn vooralsnog uitsluitend actief op het gebied van noodhulp. Er zijn nog weinig lokale NGO's, maar de lokale CARITAS verricht veel werk. De vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid wordt door de overheid in het algemeen gerespecteerd, zij het dat de nieuwsvoorziening grotendeels door de overheid verzorgd wordt. Veiligheidsdiensten maakten zich schuldig aan het slaan van verdachten, om bekentenissen af te dwingen of om ze te straffen. Soms werden vrouwelijke gevangenen verkracht. In de tweede helft van 2000 verscheen een nieuwsbrief van de politie, waarin verscheidene van dit soort incidenten werden vermeld, maar waarin ook werd vermeld dat disciplinaire maatregelen werden genomen tegen de verantwoordelijken en dat strafrechtelijke onderzoeken en gerechtelijke procedures werden ingesteld |
|
| bron: ministerie van Buitenlandse zaken | ||
| Congo - Brazzaville | Economie | |
| Economie: |
Het land is rijk aan natuurlijke hulpbronnen. De
winning van aardolie zorgt traditioneel voor meer dan 40% van het BNP.
Ook bos- en landbouw zijn belangrijk. De verre van optimale
infrastructuur vormt evenwel een hindernis van betekenis.
Vanaf 1994 stelde de toenmalige president Lissouba met hulp van Frankrijk en het IMF meer financiële controle op overheidsuitgaven in en was sprake van een verschuiving naar een markteconomie. Na de coalitievorming in 1995 werden de hervormingen doorgezet. Privatisering deed zijn intrede. Als gevolg van de burgeroorlog die in juni 1997 weer losbrak werden de in overleg met IMF opgestelde doelstellingen niet gehaald. Na afloop van de burgeroorlog eind 1997, en opnieuw na de opleving van de burgerorrlog begin 1999, committeerde Sassou-Nguesso zich aan de verdere uitvoering van de programma's. Het welslagen ervan is mede afhankelijk van de inkomsten uit de olie en bijdragen van donoren. De economische situatie in Congo-Brazzaville kent nog vele problemen. In de eerste plaats zijn vele vernielingen aangebracht (ook nog daterend uit 1997 en zelfs daarvoor) en heeft de infrastructuur te lijden van gebrek aan onderhoud. Daarnaast heeft het bancaire systeem veel te lijden gehad. Er is vertraging bij de privatiseringen, er zijn binnenlandse schulden (achterstallige salarisbetalingen aan ambtelijke en militaire functionarissen en achterstallige uitbetalingen van pensioenen), er is een grote buitenlandse schuld, en er is desorganisatie in de fiscale sector en bij de douane. Niettemin gaf het IMF blijk van zijn vertrouwen in de Congolese regering door de goedkeuring, op 17 november 2000, van een lening ten behoeve van wederopbouw voor Congo. Het IMF tekende er bij aan dat de beslissing was genomen als blijk van waardering voor de voortgang die de regering maakte bij het bevorderen van politieke normalisatie en economisch herstel. Ook de uitbetaling van ambtenaren kon weer regelmatig plaatsvinden. Ook macro-economische indicatoren zijn in 2000 opmerkelijk verbeterd: een economische groei van 5%, een lage inflatie van 5%, een vermindering van het begrotingstekort en een herstel van monetaire reserves. Congo is een dunbevolkt land met grote olievoorraden; als gevolg daarvan is het bruto inkomen per hoofd van de bevolking hoger dan van de meeste andere Afrikaanse landen. Deze schijnbare rijkdom heeft echter een smalle basis en er is weinig verband tussen de kapitaalsintensieve oliesector en de rest van de economie, en weinig effect op de werkgelegenheidssituatie. De slecht functionerende infrastructuur en openbare dienstverlening, alsmede de zwakke sociale indicatoren (onder meer op het gebied van de gezondheidszorg, het onderwijs en de voedingstoestand) wijzen op algemene armoede onder de bevolking. De omstandigheden zijn door de burgeroorlogen nog verslechterd. Met een Human Development Index van 139 (berekend op cijfers uit 1998) behoort Congo nog net tot de landen met een gematigde sociale ontwikkeling. De hoge werkloosheid vormt een economische en sociale risicofactor, die de gewenste reïntegratie van de militieleden nog moeilijker maakt. De laatste jaren heeft de economie een opmerkelijk herstel te zien gegeven, mede dankzij de vrede en de hoge prijs van ruwe olie. Openbare investeringen konden weer aantrekken en er is een begin gemaakt met de uitvoering van infrastructurele werken met als belangrijkste de heropening van de spoorlijn Brazzaville - Pointe-Noire en het uitbaggeren van de haven van Pointe-Noire. Een groot deel van de bevolking leeft nog in armoede. |
|
| Bron o.a. : CIA factbook | ||
| Bruto Nationaal Product: | US$ 2,9 miljard (2003, schatting EIU) | |
| Groei BNP: |
2% (2003, schatting EIU), 3,5% (2002, schatting EIU), 2,9% (2001, officiële schatting) |
|
| BNP per hoofd van de bevolking: |
US$ 886 in 2001 |
|
| Inflatie van de consumptieartikelen: |
2,4% (2003, schatting EIU), 3,3% (2002, schatting EIU), officiële schatting) |
|
| Arbeidskrachten per sector: |
Landbouw (49%), industrie (15%), diensten (37%) (1990) |
|
| Industrie: |
petroleum producten, cement, hout, suiker, palmolie, zeep, meel, sigaretten |
|
| Elektriciteitsproductie: | Lokale energieconsumptie is laag, men is afhankelijk van hout. Mogelijkheden tot hydro-elektriciteit ruimschoots aanwezig maar nog niet nader onderzocht. | |
| Elektriciteitsconsumptie: | 573.6 milljoen kWh in 2002 | |
| Export: |
US$ 2,3 miljard (2003) |
|
| Export producten: |
Ruwe petroleum, hout, suiker |
|
| Export - partners: |
Verenigde Staten, Zuid-Korea, China, Duitsland, Frankrijk |
|
| Import: |
US$ 734 miljoen in 2002 |
|
| Importgoederen: |
Brandstof en energie, kapitaalgoederen |
|
| Import - partners: |
Frankrijk, Italië, Verenigde Staten, België, Zuid-Afrika |
|
| Buitenlandse schuld: |
US$ 4,9 miljard (2000, geen recentere cijfers beschikbaar) |
|
| Geld: |
CFA franc (CFAfr) |
|
| Congo Brazzaville | Diversen | |
|
Internet landencode |
cg | |
| Internet Providers: | 46 in 2003 | Internetgebruikers: | 15.000 in 2003 |
| Spoorwegen: | 894 km | Wegen: | totaal: 12,800 km geasfalteerd: 1.242 km - niet geasfalteerd: 11.558 km |
| Waterwegen: | 4.385 km | Havens | Brazzaville, Impfondo, Ouesso, Oyo, Pointe-Noire |