|
|
|
|
In 1988 bezochten wij Guinee Bissau.
|
| Officiële naam | Republica da Guine-Bissau | ||
| Oppervlakte |
|
||
| Onafhankelijk sinds: | 24 September 1973 van Portugal | ||
| Hoofdstad: | Bissau | ||
| Bevolking:
|
|
||
| Leeftheidsopbouw | 0-14 jaar: 42.09% 15-64 jaar: 55.05% 65 jaar en ouder: 2.86% | ||
|
|
||
| Levensverwachting | 49.42 jaar | ||
| Kindersterfte: | 110.4 op 1.000 levend geboren (gegevens 2001) | ||
| Analfabetisme: | 46,1 % | ||
| Religie: | Inheemse geloven 50%, Moslim 45%, Christelijk 5% | ||
| Staatshoofd
verkiezingen: |
President Koumba Yallá
(sinds 18 Februari 2000)
De president is gekozen voor een termijn van vijf jaar; De laaste verkiezingen waren op 28 november 1999 en 16 January 2000 de volgende zijn in 2004); |
||
| Regeringsleider: |
|
||
| Officiële taal | Portugees | ||
| Gebied: | totaal: 36.120 km², waarvan land: 28,000 km² en water: 8,120 km² | ||
| Ligging | West Afrika, grenzend aan Noord Atlantisch Oceaan (350 km), tussen Guinee ( 386 km) en Senegal (338 km) -12 00 N, 15 00 W | ||
| Natuurlijke hulpbronnen | Vis, hout, fosfaat, bauxiet, aanwezigheid van onontgonnen olievelden. | ||
| Klimaat: | Tropisch; over het algemeen heet en vochtig; regenseizoen (juni tot november) met zuidwesten wind; droge seizoen (december tot mei) met noordoosten stoffige, harmattan wind. | ||
| Milieuproblemen: | Ontbossing; erosie; overbeweiding; overbevissing. | ||
| Geld:
|
|
||
| Economie
|
Guinee-Bissau's economie is afhankelijk van kleinschalige landbouw (78%) en visserij. Cashew noten vormen een nieuw stijgend exportproduct in de laatste jaren en het land staat nu op de zesde plaats in de wereld van de cashewproductie. Guinee-Bissau exporteert verder vis en een kleine hoeveelheid pinda's en hout. Rijst is het belangrijkste landbouwproduct. Tijdens de burgeroorlog is veel van de infrastructuur vernield en de economie daalde met 28 %. Met buitenlandse steun trekt deze weer aan sinds 1999. In 2000 was de economische groei 7.6%. Door de hoge kosten is de ontginning van de olievelden, de fosfaat en andere minerale hulpbronnen geen korte termijn perspectief maar mogelijk wel op de lange duur. | ||
| Inkomen per hoofd: | $ 850 geschat 2000 | ||
| Export: | Cashew noten 70%, garnalen, pinda's, hout | ||
| Import:
Imports - partners: |
Voedsel, machines and
transport middelen, olieproducten
Portugal 26%, Frankrijk 8%, Senegal 8%, Nederland 7% (1998) |
||
| Buitenlandse schuld: | $ 964 miljoen in 1998 | ||
| Buitenlandse hulp: | $ 115.4 miljoen in 1995) | ||
| Nederlandse
vertegenwoordiging
|
|
||
| Internetcode: | gw | ||
| Mensenrechten | Gegevens van Amnesty International | ||
| De geschiedenis
Ontleend aan o.a. de Ned. Ambassade
|
De
onafhankelijkheidsstrijd in Portugees Bissau (thans Guinée-Bissau) begon
reeds in de jaren vijftig onder leiding van Amílcar Cabral met de vorming
van de Partido Africano da Independência da Guinée e Cabo Verde(PAIGC).
Gewapend verzet groeide in de jaren zestig en in 1972 was twee-derde deel
van het land onder de controle van de PAIGC. Begin 1973 werd Cabral
vermoord door enkele dissidenten. In september van datzelfde jaar werd
Guinée-Bissau onafhankelijk en werd Cabral's broer, Luiz, de eerste
president.
Met de economische situatie ging het tijdens het regime van Cabral bergafwaarts, hetgeen niet alleen te wijten was aan de grote droogte maar ook aan het beleid van Cabral. In 1980 maakte een coup een eind aan zijn bewind en werd João Bernardo Vieira president. Hij kwam aan het hoofd te staan van een door militairen gedomineerde PAIGC-regering. In 1984 werden de eerste parlementsverkiezingen gehouden met door de PAIGC "voorgeselecteerde" kandidaten. Het aldus gekozen Parlement keurde een nieuwe constitutie goed. Onder druk van de in Portugal verblijvende oppositie hechtte president Vieira in 1990 zijn goedkeuring aan de invoering van een meer-partijen stelsel waarvoor in 1991 de constitutie werd geamendeerd. De eerste meer-partijen verkiezingen voor president en parlement werden gehouden op 3 juli 1994 en werden gewonnen door de PAIGC, voornamelijk te danken aan de verdeeldheid van de oppositie. Vanaf 1995 groeide de kritiek op de regering, die verantwoordelijk gehouden werd voor het slechte economische beleid, corruptie, stijgende prijzen en de achteruitgang van de sociale omstandigheden. De sociale onrust nam hand over hand toe en op 7 juni 1998 brak er een militaire opstand uit, geleid door de ontslagen opperbevelhebber van de strijdkrachten, Asumane Mané. Deze opstand werd breed door de bevolking gesteund. Na definitieve beëindiging van het conflict, waarbij Nino Vieira na asiel in de Portugese ambassade in Bissau uitweek naar Portugal, werden in november 1999/januari 2000 parlements- en presidentsverkiezingen gehouden. Deze leverden een overwinning op voor de Partido da Renovacao Social(PRS) die een coalitie aanging met de RGB/Bafata partij en enkele onafhankelijken. Kumba Yala (PRS) werd de nieuwe president. In tegenstelling tot hetgeen verwacht werd bleek Ansumane Mané zijn functie als Supremo Comandante van de militaire Junta èn de Junta in stand te houden. Mané, gesteund door een kleine entourage, trachtte in november 2000 een coup te plegen maar het leger bleef achter de president staan. Mané kwam enkele dagen erna om bij, aldus de officiële versie, een poging de wijk te nemen nadat duidelijk was dat zijn coup was mislukt. Voor de laatste politieke ontwikkelingen zie Impressie en nieuws-impressie |
||
|
Gegevens van Amnesty International Doodstraf: afgeschaft voor alle misdrijven Geratificeerd/ondertekend in 2000: Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten en beide Protocollen bij dit verdrag; Internationaal Verdrag tot Uitbanning van Alle Vormen van Rassendiscriminatie; Verdrag tegen Foltering en Andere Wrede, Onmenselijke of Onterende Behandeling of Bestraffing; Facultatief Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind betreffende de Inzet van Kinderen bij Gewapende Conflicten; Facultatief Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake de Uitbanning van Alle Vormen van Discriminatie van Vrouwen; Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof Na de verkiezingen van november 1999 trad een coalitieregering aan die verklaarde dat ze zich zou inzetten voor de bescherming van de mensenrechten en een eind zou maken aan de straffeloosheid. Veiligheidsfunctionarissen werden schuldig bevonden aan tijdens het gewapend conflict van 1998-1999 gepleegde mensenrechtenschendingen en veroordeeld tot gevangenisstraf. Politieke gevangenen werden vrijgelaten; enkele van hen in afwachting van een proces. Zeven politieke leiders en zo'n tweehonderd soldaten werden gearresteerd na een opstand van het leger. Er waren berichten over mensenrechtenschendingen door soldaten. Het mandaat van het VN-Ondersteuningsbureau voor de Opbouw van Vrede na het Conflict (UNOGBIS) werd met één jaar verlengd. Achtergrond Yallá, voorzitter van de Partij voor Sociale Vernieuwing (Partido da Renovação Social, PRS), kwam bij de tweede ronde van de presidentsverkiezingen in januari als overwinnaar uit de bus, en werd in februari als president beëdigd. Caetano N'Tchama van de PRS werd premier en vormde een coalitieregering met de op één na grootste partij, de Bafatá-Verzetsbeweging voor Guinee-Bissau (Resistência da Guiné-Bissau-Movimento Bafatá). De nieuwe regering stelde als prioriteiten: bevordering van verzoening na de burgeroorlog van 1998-1999, versterking van de democratie, de rechtsorde, goed bestuur en respect voor de mensenrechten, en bestrijding van corruptie en armoede. Ze kondigde ook plannen aan om de strijdkrachten te depolitiseren en tegen eind 2001 zesduizend soldaten te demobiliseren. De soldij van soldaten werd verhoogd, maar ongeveer vijftig soldaten die eind 1999 waren gearresteerd in verband met een staking over soldijverhoging, zaten nog zonder te zijn aangeklaagd in de gevangenis. Er heerste spanning tussen civiele en legerautoriteiten en de regering werd meer en meer geconfronteerd met gebrek aan discipline bij hooggeplaatste militairen. Er werden pogingen in het werk gesteld om de rol van het leger in het nieuwe democratische Guinee-Bissau opnieuw te definiëren. Onderhandelingen tussen de nieuwe regering en de voormalige militaire junta stonden onder leiding van een groep bemiddelaars uit de burgermaatschappij, bijgestaan door de Speciale Vertegenwoordiger voor Guinee-Bissau van de secretaris-generaal van de VN. In februari weigerde de leider van de voormalige junta, generaal Ansumane Mané, president Yallá's aanbod voor de functie van speciale regeringsadviseur inzake defensie met als verklaring dat het leger politieke neutraliteit had beloofd. Het leger bleef zich echter nadrukkelijk in het openbaar profileren en politietaken uitvoeren, aangezien de politie te kampen had met gebrek aan middelen en voldoende opleiding. In april steeg de spanning toen de opperbevelhebber van de marine Lamine Sanha werd ontslagen maar weigerde zijn post te verlaten omdat hij uitsluitend aan generaal Mané verantwoording verschuldigd zou zijn. De zaak werd opgelost na onderhandelingen waarbij de tijdens het conflict opgerichte `commissie van goede wil' van geestelijke en gemeenschapsleiders was betrokken. In november liep de spanning opnieuw op, toen Mané promotie van door de regering voorgedragen legerofficieren afwees. In Bissau braken korte tijd gevechten uit tussen legerfacties die trouw waren aan de regering en aanhangers van Mané, die zich uitriep tot stafchef van de strijdkrachten nadat hij de toenmalige stafchef had gearresteerd. Na een paar dagen voortvluchtig te zijn geweest werd generaal Mané gevangengenomen en gedood, naar verluidt tijdens een vuurgevecht met regeringsgezinde soldaten in Quinhamel, zo'n dertig kilometer ten noorden van Bissau. Volgens andere berichten zou hij echter na gevangenneming zijn gemarteld en vervolgens zijn doodgeschoten. Eind 2000 was er nog geen onderzoek naar zijn dood ingesteld. Ten minste tweehonderd Mané-getrouwe soldaten werden gearresteerd en aangeklaagd wegens poging tot omverwerping van de regering. Eind 2000 was nog niemand formeel aangeklaagd of berecht. Het Internationaal Comité van het Rode Kruis leidde in augustus een congres over humanitaire wetgeving waaraan 370 soldaten en officieren deelnamen. De Guinee-Bissause Liga voor de Mensenrechten (LGDH) organiseerde voor vijftig politieagenten en gerechtelijke functionarissen cursussen over de mensenrechten. De betrekkingen tussen Senegal en Guinee-Bissau waren gespannen. Guinee-Bissau beschuldigde Senegal in april van het bombarderen van zijn grondgebied, terwijl het beschuldigingen van de hand wees dat rebellen van de Beweging van Democratische Krachten van Casamance (Mouvement des forces démocratiques de Casamance) vanuit Guinee-Bissaus grondgebied aanvallen uitvoerden op Senegal. De betrekkingen verslechterden in augustus toen Senegalese dorpsbewoners na aanvallen door gewapende groeperingen de grens tussen beide landen afsloten. Hierdoor ontstonden in Guinee-Bissau tekorten aan voedsel en benzine. Maatregelen tegen straffeloosheid De nieuwe regering verklaarde herhaaldelijk dat ze vastbesloten was een eind te maken aan de straffeloosheid en trof hiertoe belangrijke maatregelen. *In augustus stonden drie veiligheidsfunctionarissen terecht voor aanklachten wegens tijdens het gewapend conflict gepleegde mensenrechtenschendingen, waaronder willekeurige arrestatie, marteling en buitengerechtelijke executies. Ze werden schuldig bevonden en veroordeeld tot gevangenisstraffen die uiteenliepen van zeven tot vijftien jaar. Bovendien moesten ze grote bedragen aan schadevergoeding betalen aan de slachtoffers en hun families. Een van hen werd veroordeeld voor de moord op Lai António Lopes Pereira, die in juli 1998 in zijn woning werd doodgeschoten en voor de willekeurige arrestatie en marteling van Bitchofola Na Fafé en Ansumane Fati. Hij kreeg vijftien jaar gevangenisstraf en moest de slachtoffers en hun families schadevergoeding betalen. Mensenrechtenactivisten LGDH-voorzitter Inácio Tavares werd in mei bedreigd met represailles nadat hij het slaan door soldaten van arbeiders van een elektriciteitscentrale na een stroomafsluiting op een luchtmachtbasis aan de kaak had gesteld. Generaal Mané zou naar verluidt opdracht hebben gegeven tot de arrestatie van een radiojournalist die melding had gemaakt van de afranselingen, omdat het bericht volgens hem onwaar was. Eveneens in mei werden tv-nieuwslezer Issufe Queta en redactrice Paula Melo gedurende 48 uur gedetineerd na het voorlezen van een persverklaring van Fernando Gomes, voorzitter van de Socialistisch Alliantie van Guinee-Bissau (Aliança Socialista Guineense), die zelf ook 36 uur werd gedetineerd. Hij had zich kritisch uitgelaten over de politieke situatie in het land. De drie werden op borgtocht vrijgelaten en er liepen aanklachten wegens smaad en laster tegen hen. Eind 2000 waren zij nog niet berecht. Fernando Gomes werd in november wederom gearresteerd en ruim een week gedetineerd op beschuldiging van steun aan de militaire opstand. Tijdens zijn arrestatie is hij hevig geslagen. Arrestaties van politieke tegenstanders Verscheidene vooraanstaande leden van oppositiepartijen werden in de nasleep van de militaire opstand gearresteerd. Onder hen bevonden zich leden van de Unie voor Verandering, onder wie voormalig procureur-generaal Aminé Saad, het parlementslid Caramba Turé, die twee dagen werd vastgehouden, en Agnelo Regalla, directeur van Bombolón Radio. Twee andere arrestanten waren Fernando Gomes (zie boven) en Francisco Benante, voorzitter van de Afrikaanse Partij voor de Onafhankelijkheid van Guinee-Bissau en Kaapverdië. De gearresteerden werden langer dan een week vastgehouden op het hoofdbureau van politie en stonden eind 2000 zonder te zijn aangeklaagd nog onder huisarrest. Schendingen door soldaten Opnieuw maakten soldaten misbruik van hun macht en mishandelden zij burgers. Niemand werd voor de rechter gedaagd. Bij de meeste incidenten waren lijfwachten van generaal Mané betrokken. Politieke processen Van de 270 mensen die begin 2000 nog steeds in detentie zaten in verband met tijdens het conflict gepleegde misdrijven, zijn de meeste vrijgelaten, enkele in afwachting van een proces. Bij anderen werden de aanklachten ingetrokken. Zeven personen zaten eind 2000 nog in de gevangenis, drie om hun straf uit te zitten en vier in afwachting van een proces. |